Estland is een land dat het toeristisch gaat maken. De hoofdstad Tallinn bestaat uit ridderkastelen, hellende straatjes en knusse cafés. De Estse natuur is ronduit verbluffend. En het mooie is dat je een bezoek aan dit noordelijke Baltische land prima kunt combineren met een uitstapje naar St. Petersburg (Rusland) of Helsinki (Finland).

Het centrum van Tallinn is gebouwd op een heuvel, waar de Denen zo’n 800 jaar geleden een groot kasteel bouwden. Van dat kasteel is niets meer over, maar gelukkig hebben drie laat-middeleeuwse torens de tand des tijds weten te doorstaan. Ze zijn in zo’n goede staat dat je je makkelijk kunt inbeelden hoe ridders in en om de toren geleefd moeten hebben.

En zo gaat het constant als je in Tallinn bent: de donkere hellende steegjes, de oude stadsmuur, de torenspitsen en de gildenhuisjes: ze zorgen ervoor dat beelden uit het verleden als historische films op je netvlies verschijnen. Ridders die op bezwete paarden door de stad denderen, markten vol leurende kooplui, prinsen en prinsessen. Ja, Tallinn doet mijmeren.

In de luwte van de oude stadsmuur staan marktkraampjes opgesteld, waar enthousiaste Letse vrouwtjes vol trots hun beste breiwerk verkopen: schattige helblauwe wantjes met schaapjes, grof gebreide wintersokken en – ja hoor – echte ‘gouwe ouwe’ kabeltruien. Zelfs hartje zomer wordt het breiwerk goed verkocht. Rond het stadhuisplein, oftewel het Raekoja Plats, liggen talloze kroegjes waar je een prima pot bier kunt drinken.

Sommigen vergelijken Estland wel eens met een Oostblokland nét na het vallen van de Berlijnse Muur, maar dat is niet terecht. Rochelende Lada’s en Skoda’s bijvoorbeeld hoef je in deze Baltische staat niet te verwachten. Zeker niet in de hoofdstad. Hier en daar vind je in de oude binnensteden nog wel draken van sovjetgebouwen, maar vele zijn gesloopt. Historische panden zijn in het algemeen goed gerenoveerd, of staan op zijn minst op de agenda om gerenoveerd te worden. Balten noemen de 21e eeuw niet voor niets de Gouden Eeuw voor renovatiebedrijven.

Anders is het op het platteland en in de buitenwijken van de grote steden. Als we Tallinn op weg naar het Lahemaa National Park verlaten, wordt pijnlijk duidelijk dat ook hier de kloof tussen arm en rijk groot is. We stuiten op vaalroze blokkendozen, troosteloze flats waar vooral oudere Russen wonen die in de sovjettijd in Estland kwamen werken en er na de onafhankelijkheid in 1991 bleven wonen.

“Ze hebben geen cent te verteren”, zo vertelt mijn Estse gids. Maar liefst een vierde van de bevolking van Tallinn woont in deze wijk van blokkendozen. Dat geeft stof tot nadenken als we verder honkebonken over de Peterburi Tee die een dikke 300 kilometer verderop uitkomt in St. Petersburg.

Het Lahemaa-park heeft zijn naam niet voor niets gekregen. ‘Land van de baaien’, zo luidt de vertaling. In het 700 km2 grote gebied in het noorden van het land aan de Finse golf liggen veertien meren, stromen acht rivieren en barst het van de watervallen. Verder bestaat Lahemaa vooral uit bos dat op sommige plekken zó dicht begroeid is dat het wel nacht lijkt als je er doorheen loopt.

In het plaatsje Palmse bevindt zich het bezoekerscentrum van Lahemaa-park. Het is een prima beginpunt voor een heerlijke wandeling, waarvan er dan ook verschillende in de buurt zijn uitgezet. Het zou een ideaal vakantiegebied zijn. Lekker wandelen, fietsen, zeilen en zwemmen, maar zover zijn de Esten nog niet. Zomerhuisjes worden in deze streek nauwelijks verhuurd en ook campings zijn een schaars goed. Het zijn vooral lokale boeren die wonen in de vrolijke Hans-en-Grietje-huizen in het park.

Typisch Ests is de liefde van de bevolking voor folklore. In tegenstelling tot Nederland – waar de illusie in stand wordt gehouden dat de inwoners tussen de tulpen in klederdracht klompendansen – is de Estse band met haar volkscultuur oprecht. Elk Ests schoolkindje kan je zo tien volksliedjes voorzingen en het Midzomerfestival, waarin men de kortste nacht van de zomer herdenkt, is een plattelandsevenement dat geen Est wil missen met heel veel lekker eten.

Het grootste folklore-evenement is het Nationaal Songfestival, een festijn dat dateert uit 1869 en elke vijf jaar wordt gehouden. Op een speciaal daarvoor ontworpen festivalterrein in een park vlak buiten het centrum van Tallinn treden tijdens het festival duizenden Esten op. In kleurrijke klederdracht (‘t lijkt waarempel wel op de mooie kleuren van onze keukenhof) zingen jong en oud volksliedjes, en het is verbazingwekkend hoe skaten zo’n belangrijke positie heeft weten in te nemen in dit land…

Sommige Esten zijn bang dat ze door de toetreding tot de EU hun folkloristische identiteit zullen verliezen. Met argwaan zien ze toe hoe de EU-regelgeving nu al het dagelijks leven beïnvloedt. Ze vinden het raar dat opeens alle boeren hun land moeten omheinen en dat de entrees van openbare gebouwen voor rolstoelers moeten worden aangepast. Ze weten maar al te goed wat dat met IJsland gedaan heeft.

Toeristen mogen daarentegen blij zijn met het EU-broertje. Ze met trots zeggen dat ze er een fris en ongerept vakantieland bij hebben gekregen.