Toegegeven, het is een mogelijkheid: met een mountainbike een berg beklimmen. De twee zwaar hijgende mannen passeren ons op de route naar de Mulhacen, met 3482 meter de hoogste berg van de Sierra Nevada en van het vaste land van Spanje. Hoe gek moet je zijn om omhoog te fietsen?

“Wellicht vinden ze ons wel onnozel omdat we naar boven lópen”, merkt mijn partner op. Ik moet hem gelijk geven. Wat doen we hier eigenlijk? We zijn gewaarschuwd dat het winter is hoog in de bergen. Het is inderdaad ijs- en ijskoud en de wind blaast ons bijna omver. Andalusië, in het zuidelijkste deel van Spanje gelegen, is toch bekend om zijn mooie weer, prachtige stranden en rustieke dorpjes? Moesten we nu weer zo nodig toch die berg op?

Ja dus. Hoewel koud en winderig is de lucht helder en het uitzicht, voor zover we nog lucht hebben, adembenemend. Het panorama geeft aan wat ons allemaal nog te wachten staat tijdens ons verblijf in Andalusië: zo zien we de stad Granada liggen, lijken de witte dorpjes aan de bergen vastgeplakt, bevinden zich verder weg licht- en donkergroene vlekken die aangenamer ogen dan het dorre landschap om ons heen en als we ons een kwartslag omdraaien zien we de zee. Bovendien weten we dat na een dag flink wandelen het eten nóg lekkerder smaakt.

Een paar uur later zijn we via de Alpujarras – de zuidelijke uitlopers van de Sierra Nevada -weer terug in ons pensionnetje in het stadje Orgiva. In alle reisgidsen wordt dit plaatsje aangeduid als een verzamelplaats voor wandelaars, new-age-adepten en ‘gewone’ vakantiegangers, maar als wij er zijn is er weinig te beleven. Zo is er ook maar één tapasbar open die alleen maar aan éénpersoonsporties doet. Hoewel we flinke trek hebben vallen een groot bord met chorizoworst en zure sardientjes geserveerd op chips ons behoorlijk zwaar. Overige smaken laten we voor die avond dan ook maar zitten.

De stad Granada, die we vervolgens bezoeken, is vooral beroemd vanwege het Alhambra. Dit was oorspronkelijk een apart deel van de stad met diverse paleizen. Het oudste deel van het Alhambra is het Alcazaba. Deze vesting werd na de Moorse invasie in de negende eeuw als eerste gebouwd, op de resten van een Romeinse vesting. De gebouwen, paleizen en torens van dit deel zijn van een simpele schoonheid.

Het andere deel van het Alhambra bestaat uit een paleizencomplex dat is gebouwd onder de dynastie van de Nasriden. Het staat in schril contrast met het Alcazaba, waar eenvoud en bakstenen de boventoon voeren. Het Alhambra kenmerkt zich door prachtige verblijven, mooie kamers, tuinen en fonteinen. Alle kleuren, geraffineerd bij elkaar uitgezocht, zijn er te zien en het lijkt af en toe wel alsof geen plafond gespaard is gebleven voor de kunstenaarshanden uit die tijd. Elk hoekje is een feest van verrassingen.

Het Alhambra is absoluut niet het enige in Granada dat de moeite waard is. De moslimwijk met zijn smalle, bergachtige straatjes blijkt talloze schatten te verbergen. Kleine winkeltjes met de meest prachtige lampen tot de meest waardeloze prularia, lieve balkonnetjes die versierd zijn met bloemen en barretjes verstopt achter grote, houten deuren die op een kier staan. De wijk vormt een groot contrast met het hart van de stad, waar zich rondom diverse pleinen de meest luxe winkels bevinden. Praktisch elk merk is hier te vinden, zowel qua kleding als qua eten, en het eten in Spanje is goedkoop en goed.

Na Granada grondig te hebben verkend, reizen we af richting Ronda. Onderweg naar onze nieuwe bestemming wordt het landschap al snel groener. Deels komt dit door de ontelbare olijfbomen; Andalusië produceert maar liefst 10 procent van de olijfolie ter wereld. Het deel rondom Ronda is zelfs uitgesproken groen. Niet zo gek, want in dit deel valt de meeste regen in Spanje. Ook is het klimaat er zeer aangenaam. Omdat Ronda op zo’n 700 meter hoogte ligt, wordt het er niet snel te heet.

Het stadje, waardoor een ravijn loopt, is dan ook een fijn toevluchtsoord voor toeristen van de Costa del Sol. Ronda ligt 70 kilometer van de populaire stranden; ideaal voor een dagje uit dus. De verschillende delen van de stad worden met elkaar verbonden door de Puente Nuevo. Prachtige plaatjes verzekerd. Het doet in de verte denken aan Mexico, maar dan op z’n Spaans, natuurlijk.

De bergen rondom Ronda lenen zich voor mooie wandelingen, maar we stuiten op hetzelfde probleem als in de Alpujarras: er zijn geen goede wandelkaarten van het gebied te vinden. Bovendien zijn er praktisch geen wandelpaden.

Opnieuw verblijven we in een huis dat we hebben gehuurd via Jannie en Manuel (www.lechienandalous.com). Ze zijn intermediair voor Spanjaarden die graag hun huis willen verhuren maar geen Engels of Nederlands spreken. Zeer gemakkelijk, zo’n stel dat je in je eigen taal helpt en al je grote en kleine woonwensen vervult.

De laatste dagen van onze vakantie willen we doorbrengen aan het strand. Dat brengt ons naar de stad Estepona, waar nauwelijks hoogbouw te vinden is. Maar een van onze stranddagen ruilen we in voor een bezoek aan Gibraltar: een stukje Engeland in Spanje.

Je auto kun je op een parkeerplaats in Spanje laten staan. Aan de grens worden de paspoorten en tassen nauwgezet gecontroleerd. In Gibraltar zijn veel goederen, en dan met name alcohol en sigaretten, veel goedkoper dan in Spanje. Per persoon mag je niet meer dan een slof sigaretten en een liter alcohol vrij meenemen.

Het lapje Engeland is mateloos populair: de pubs zijn Engelser dan Engels en het is een vreemde gewaarwording om met 25 graden Celsius op een zonnig terras fish and chips te eten.

We zoeken naar de toppen van de Sierra Nevada. In de verte is het echter grijs en grauw. We weten zeker dat het daar nog kouder is dan tien dagen geleden, toen wij er liepen. Zou het er sneeuwen?